FLARDINGA - Dat voor Vlaardingen in 1316 een stadsvrijheid wordt genoemd is wel als bewijs gezien dat Vlaardingen een stad was en stadrecht zou hebben gekend. Die indruk is niet juist. Ten eerste kende Vlaardingen geen pakket eigen rechtsregels, zoals Delft dat kende. En ten tweede had het dorp geen eigen gerecht. Het gerecht van Vlaardingen bediende heel Vlaardingerambacht. En tegelijk kende heel Vlaardingerambacht een ambachtsheerlijk gerecht.
In zijn algemeenheid bestuurde een ambachtsheer namens de graaf het platteland. Hij oefende er de rechtspraak uit, vervulde specifieke plattelandstaken, zoals het oplossen van knelpunten rond het gebruik van grond, gaarde er de belastingen en voerde de wapenschouw. Ingeval de ambachtsheer was opgeleid tot ridder, voerde hij in tijden van strijd ook de troepen aan. In stadse zaken had een ambachtsgeer geen stem, in steden was dat aan schout en schepenen.
Dat op de rechtspraak in Vlaardingerambacht zowel het Vlaardingse gerecht als de ambachtsheer aanspraak konden maken, lijkt in de beginperiode weinig problemen hebben gegeven: het Vlaardingse gerecht van schout en (land)schepenen had daarop de oudste rechten (sinds 1273/4).
Met de groei van het dorp gaat de relatie met de ambachtsheer toch wringen. Het dorp wil haar ontwikkeling zelf kunnen sturen en daarbij zat de ambachtsheer vooral in de weg. Die autonomie is alleen te realiseren als dorp en platteland van elkaar worden gescheiden. De nederzetting zou dan stad worden en moet de rechtsspraak daarbuiten aan de ambachtsheer laten. En zo komt Vlaardingen klem te zitten tussen haar beide voorkeuren. Nog afgezien van het geringe aantal van circa 30 huizen dat het dorp dan telt.
De bewaarde rentmeesterrekeningen spreken voor Vlaardingen consequent van ‘Quade porte’, letterlijk: verlieslatende stadsvrijheid. Voor dit afgebakende gebied draagt Vlaardingerambacht de graaf jaarlijks één pond af. Schiedam betaalde overigens hetzelfde bedrag. Elders betaalden stadsbesturen jaarlijks wel 20 tot 40 pond voor hun stadsvrijheid. De hoogte van het bedrag hield verband met de omvang van de stadsvrijheid en dat weer met een schatting van de inkomsten die de graaf daarmee misliep.
Blijft dat het dorp Vlaardingen een stadsvrijheid kende. Dat had een oorzakelijk verband met de tolvrijdom die Vlaardingerambacht sinds begin veertiende eeuw (1301/1309) kende. De begeving zal relatie kennen met de overgang van het burggraafschap van Vlaardingen naar een ambachtsheerlijkheid. Vermoedelijk heeft de graaf de economische ontwikkeling van het ambacht een impuls willen geven. De tolvrijdom gold voor vervoer van eigen goederen per schip binnen Holland en Zeeland. Dat de vrijstelling ook Zeeland betrof dateert de begeving op na begin 1291. De tolvrijdom maakte toezicht nodig op de aanvoer van scheepsvracht van buiten Vlaardingerambacht, zoals uit Zouteveen, Kethel en Schiedam. Daarvoor moest wel tol worden betaald De eerste twee omdat die geen tolvrijdom kenden en Schiedam, omdat haar tolvrijdom zich beperkte tot Holland.
En zo is voor Vlaardingen een stadsvrijheid afgepaald, met aan beide uiteinden een tolboom. Het ene tolhek stond op het punt waar de Maassluissedijk overging op de Markt. Daar hield het huis Wassenaar de rechten van een rosmolen (‘molenerf’), waar met behulp van paardenkracht graan werd gemalen. Voordien zal de installatie, die wordt omschreven als ‘zeeckere houte spinneken’, dienst hebben gedaan op Hoogstat. De installatie blijft in bedrijf tot 1569, wanneer het huis in vlammen opgaat. De andere tolboom zal hebben gestaan ter hoogte van de Joris den Dorstensteeg, een steeg die met de aanleg van het Liesveldviaduct is komen te vervallen. Later wordt het tolhek verplaatst naar net vóór de Driesluizen, waar dat zich in 1375 ‘biden gruum (= visafval) tusschen die poirte enten sluzen’ bevindt.
Tekst en fotografie
Arie de Klerk
Fotobijscjriften
Vervangende panden (anno 1587) ter plaatse van het in 1569 afgebrande huis met de rosmolen; Joris den Dorstensteeg, uitkomend op de Westhavenplaats