DELFT - Met de komst van graaf Dirk III (1006) zal de streek Vlaardingen onder bestuur zijn geplaatst van de burggraaf van Vlaardingen, die als gewoonlijk het grafelijk hof en de omgeving ervan bestuurde. De graaf zelf hield zich met andere zaken bezig en was weinig aanwezig.
Die praktijk duurt tot 1186 wanneer de grafelijke residentie naar Leiden wordt overgebracht. De graaf houdt dan geen verblijf meer in Vlaardingen, maar Robert, zijn oudere halfbroer wel (1). Hij wordt in 1162 voor het eerst vermeld in hoedanigheid van heer van Kethel. Wanneer hij in 1189 overlijdt volgt Philips I van Wassenaar hem op, in zowel de functie van burggraaf van Vlaardingen als die van heer van Kethel. Philips I van Wassenaar wordt op zijn beurt opgevolgd door achtereenvolgens Dirk I , Philips II, Dirk II en Philips III van Wassenaar. Laatstgenoemde overlijdt in 1298 en kort na hem ook zijn dochter Kateline en daarmee sterft het erfelijk burggraafschap van Vlaardingen uit. De ambachtsheerlijkheid Kethel komt dan in handen van de Wassenaarse tak Groeneveld.
Na de afbraak van de sterkte Hoogstat, rond 1260, kost dat burggraaf Dirk II geen tijd meer. Zijn benoeming in 1272 tot schout van Delft en tot villicus van Hof van Delf, zal hem daarom goed uit zijn gekomen. Zeker als hij later dat jaar ook benoemd wordt tot baljuw-dijkgraaf van Delfland, voorloper van het tegenwoordige hoogheemraadschap. Komt bij dat Vlaardingen in 1273/4 een eigen gerecht had gekregen met jurisdictie over zowel het dijkdorp Vlaardingen als het omringende platteland. Dus ook daaraan zal Dirk II weinig tijd hebben besteed.
Na de moord op graaf Floris V in 1296 breken voor het graafschap onzekere tijden aan. Besloten wordt om Jan I van der Wateringhe, broer van Bartine van der Wateringhe, echtgenote van de laatste, in 1298, overleden burggraaf. in 1301 te benoemen in het ambt van ambachtsheer van Vlaardingen: dorp en omringend platteland tesamen.
Het verschil tussen het ambt van burggraaf en ambachtsheer is niet zo groot, maar wel in status. Op een burggraaf straalde het grafelijk gezag af, terwijl een ambachtsheer in feite een ambtenaar was. Het plaatst het ambachtsheerschap van Jan I van der Wateringhe in een ander daglicht. Waar een ambachtsheer namens de graaf het platteland bestuurde, treft hij in Vlaardingen het Vlaardings gerecht op zijn pad. Tegelijk is het omgekeerde waar: in het dijkdorp is niet het gerecht de baas, want als deel uitmakend van het ambacht is daar de ambachtsheer de baas. De oplossing zou zijn geweest om dijkdorp en platteland van elkaar te scheiden, maar dat gebeurt niet. Dat het dorp met het beperkt aantal van circa 25 huizen stadsrecht zou krijgen is bovendien niet reëel, het gerecht had in dat geval ook nog eens haar rechtsmacht over het platteland moeten opgeven. En dat zal men in het dorp liever niet hebben gedaan.
De graaf lijkt het dorp een economische impuls te hebben willen geven door heel Vlaardingerambacht tolvrijdom toe te kennen, voor scheepsvervoer binnen Holland en Zeeland. Dat de tolvrijdom ook voor Zeeland geldt, dateert de tolvrijdom op na 1290. Als ambachtsheer wordt Jan I van der Wateringhe opgevolgd door Jan II en die door zijn zoon Willem, maar die voorziet wegens gebrek aan nakomelingen het einde van het ambachtsheerschap. Dat zou niet alleen voor Vlaardingen gelden, maar ook voor de ambachten Wateringen en Honderdland. Uiteindelijk bekleedt Willems jongste broer Aelbrecht het ambachtsheerschap en wordt het diens dochter Willeme toegestaan hem op te volgen, mits onder voogdij van echtgenoot Gerrit van Egmond.
(1) Noot
In het artikel: Het einde van Hoogstat (17-4 jl.) noemde ik hem abusievelijk Gerard.
Onderzoek en tekst
Arie de Klerk
Fotobijschrift
Oudste gedeelte van het stadhuis van Delft