Avontuurlijke wereldreis met wisselende contacten

Ton Lebbink: ‘Van bier via water naar bier!’

Ton Lebbink: ‘Van bier via water naar bier!’

Het bier stroomde door de leiding tussen vat en tap, berustte onbewogen voor de hevelkraan tot dienster Caroline het goudgele vocht tegen de almaar minder schuin gehouden glazen wand van een Amsterdammertje liet plonzen, werd met een witte spatel liefderijk onthoofd en verhuisde naar een viltje op de toog waar Ton Lebbink zat die er vanwege het warme weer snel een slok van nam.

Na enige tijd, die werd gevuld met praten, liep de dichter met de lichtgevende initialen naar het pissoir, deed de pantalon ter hoogte van het kruis uiteen en pletterde de hogedruk gele straal in de emaillen pot, trok aan het kettinkje tussen stortbak en rubberen bal en spoelde het tweedehands gerstenat richting openbaar riool alwaar het zilte vocht, tezamen met andere excrementen, de reis aanvaardde naar het hoofdstedelijk kanaal dat, en niet alleen tijdens het ebben, uitmondde in zee.

In deze Noordzee scheidden de laatste wegen der tijdelijk gemuteerde H’tjes en O’tjes zich en begon het solistisch spel der elementen, erop gericht om middels continu overspel relaties aan te gaan en af te stoten; water wordt nooit oud.

Na vier seizoenen door zeeën en oceanen de aardbol te hebben gerond werden alle H’tjes en O’tjes tenslotte weer H2O en met waterige oogjes van pret en gebrek aan slaap werden ze massaal naar binnen gezogen door een reusachtige pomp die stond opgesteld in een fabriek waarop een rode ster.

Daarna ging het water een relatie aan met groeisels van het land als graan en gerst, en herinnerde het zich de vele keren dat dit proces zich sinds ruim 8.000 jaar afspeelde; aanvankelijk exclusief in landen als Egypte, Mesopotamië, Soemerië en Babylonië. Zelfs het Gilgamesj-epos, een heldendicht dat het midden houdt tussen Ik Jan Cremer Tweede Boek en De Mei van Gorter, maakte hier melding van; die louterende combinatie van door gist vergistte suikers en hop; het meest vredelievende triumviraat op aarde.

Daarop, via vaten en leidingen, kwam het tot bier ontwikkelde water weer in een vat terecht. Nu wil het toeval dat de bijeen gedrupte hoeveelheid bier iets meer dan een jaar na alinea één van dit verhaal de reis aanvaardde en in Café Helmers terecht kwam, waar Caroline, een jaar ouder een jaar wijzer en een tikkeltje grijzer, het gewoontegetrouw in een steeds minder schuin gehouden Amsterdammertje stortte, die vervolgens en na met een plastic spatel liefderijk te zijn onthoofd en ontdaan van overtollig schuim het glas op de toog zette voor Ton Lebbink, de dichter met de lichtgevende initialen.

Mocht water het voor het zeggen hebben dan bleef het altijd in deze cyclus tussen het pure zichzelf en het edel gebrouwen gerstenat om via pis, riool, kanaal en zee of oceaan tot zichzelf te komen. Het zou geen rum of wodka willen zijn, noch een onderdeel van kaas of ham of enig lichaamsdeel. Water zou, gevuld met liefde, smaak en hartstocht, almaar vredig mensen laven en wie niet lief was of gemeen een hoofdpijn bezorgen waar geen Alka seltzer tegenop gewassen was.

Het liefst van alles zouden de H’tjes en de O’tjes, voor altijd dwarrelend op de grens van water en bier en door niemand lastiggevallen, blijven zweven door het oneindig lichaam van de dichter, wiens naam verwijst naar zowel Thallium, de Turkse Lira, Tagalog (een Austronesische taal met TL als code volgens ISO-639-1), Oost-Timor, de Theoretische Leerweg als Station Tiel; Ton Lebbink is voor eeuwig zijn naam.

ALS KIND

Ik ben graag alleen
ook als kind
omdat ik mezelf aangenaam gezelschap vindt

van lucifers kon ik boten bouwen
platte boten op het kleed
ook was ik goed in galgen
platte galgen
met lucifers spelend
een strijkkwartet

als kind wilde ik tamboer majoor worden
bij de fanfare met stoere handschoenen
die ketel voor je buik op zijn donder geven
uitgedost als portier van Tuschinski

Tekst & fotografie
Peter Joore

Gedicht
Ton Lebbink

04-05-2021