Rijtrip (XVIII)

Ton Lebbink: ‘Occhio nel cielo?’

Ton Lebbink: ‘Occhio nel cielo?’

Rossana Bossaglia Bellezza gespte haar gordel om. Net als Ton Lebbink. Het groene drankje had hij juist met smaak naar binnen gewerkt. Het had wel iets weg van grenadine, maar dan zonder de prik die met name Exota tot een niet ongevaarlijke huis-bom maakte.

De reis rees de pan uit en de aarde verlatend vlogen gedachten willekeurige kanten op. Eerst moesten enige sferen worden doorboord. Daarna volgde het luchtledige waarin het goed denken was. Met name Ton Lebbink zag zijn gehele stamboom vanaf het brandende braambos tot aan de dag van vandaag aan zich voorbijtrekken. Hij kon er aanvankelijk best om lachen; die verre voorvaderen en een enkele -moeder. Hij kreeg een beter beeld uit welke historische klei zijn familie was gebakken.

Toch zat hij er niet op te wachten. ‘Alle geheimen die zijn verklaard verliezen hun magie,’ vertelde hij eens tegen de ex-filmjournalist in zijn stamcafé Helmers. Hij probeerde droomloos verder te tukken, maar de beelden drongen zich nimmer aflatend aan hem op. Hij werd er, kort gezegd, doodmoe van.

De trip duurde en duurde. Tijd werd omgebogen. Sommige seconden bleken uren, dagen, maanden. Uren verwerden soms tot fracties van bijna niets. Uiteindelijk zou hij even oud het schoteltje verlaten als hij er was ingestapt. En op aarde was het hopelijk niet veel anders. Want om nu als tiener uit 1944 op aarde terug te keren midden in een oorlog met de Russen leek hem ook geen feest.

Ton Lebbink kon er niet meer tegen. Een beetje familiegeschiedenis daar kon hij mee leven. Maar vanaf het begin van de jaartelling alle feiten door je strot geduwd krijgen van de voorouderlijke tak werd wel wat veel van het goede. Daarbij was hij het ruimtelijke vliegen beu. Hij was, en niet enkel door de zwaartekracht, aan de aarde gehecht. Andere planeten? Daar moest je op heldere nachten maar met een sterrenkijker naar staren.

Rossana snurkte naast hem alsof ze juist een wijn doordesemde siësta had gevierd. Waar ging die ogenschijnlijk zon- en zinloze reis toch heen? En, hoe zou dat gaan. Die Klingons, dat was even leuk. Maar je kon er als normaal sterveling geen woord mee wisselen.

Ton Lebbink maakte zijn veiligheidsgordel los en kuierde wat door het ronde gastenverblijf. Het was al lampjes, schakelaars en metertjes dat de klok sloeg. Hij begreep waarvoor dit alles diende, maar snapte niets van de bediening en welke functie ze zouden uitoefenen als je bijvoorbeeld een schakelaar omzette of pardoes of anderszins een knop indrukte. Er stond een schaal met neonkleurige koekjes. Door honger overmand nam hij er eentje en knabbelde die, tegen zijn verwachting in, smakelijk op.

Na een tiental minuten struinen zag hij een knop die hem bekend voorkwam van het openbaar vervoer in het algemeen en de lijnbus in het bijzonder. Het was de stopknop voor de volgende halte. De reis en alles eromheen kon hem verder gestolen worden en als de schotel neer zou storten … Maar dat laatste ging niet gebeuren. Zo wist hij nog van zijn natuurkundelessen. Eenmaal in het luchtledige bleef je zweven tot in het oneindige. Dat had Einstein moeten weten! Hij drukte en er gebeurde nu van alles. Er klonk een hoop gekraak en gepiep. Klingon teksten, die altijd al verre van vrolijk klonken, klonken nu waarlijk snauwerig en onbeleefd. Alle lichten werden gedoofd. De schotel maakte een zwieper. Ton Lebbink viel tegen een controlepanel en verloor het bewustzijn.

‘Stai bene tesoro?’ klonk het liefjes vlak boven hem. De stem behoorde 

Rossana toe die hem een kus op zijn voorhoofd gaf. Ton Lebbink kwam weer bij de mensen. Beter: bij de vrouw met wie hij deze korte periode al zoveel had beleefd. Hij keek om zich heen, herkende de slaapkamer. Hij lag in bed en zweefde allesbehalve tussen sterren en planeten. 

‘Ik denk dat ik droomde,’ mompelde hij verontschuldigend. ‘We zaten in een vliegende schotel en we waren op weg naar misschien wel een ander melkwegstelsel. Rossana lachte liefjes: ‘Vanavond ietsje minder drinken misschien! Ga nu eerst maar douchen. Daar fris je lekker van op.’

EEN HOER IN DOORN

Ze staat erbij als beenham uit Jaffa.
Alsof ze van een paleistrap is gestuiterd.
Een omgevallen boekenkast.
Er zijn nog 14 wachtenden achter mij.

Ze speelt de hoer in Doorn.
In de bries begint een broek te bollen.
Een bloem wordt geboterd en gepaard.
Ook bridgen lukt niet meer.

Gehoorzaam heb ik me van mijn pak ontdaan.
No smoking.
Een krantenkop met ezelsoren.
Een verkeerde keel.

Een valse horizon in Doorn. Een tandeloze kim.
Een lauwtoffe einder op een heuvelrug.
Een ouwe vlieg snoept van een afzuigkap.
Met vuile wimpers.

Gedicht
Ton Lebbink (Amsterdam, uiterlijk 2001)

Tekst
Peter Joore (16 juni 2022)

Fotografie
Beaty Czetö (3 maart 2011)

16-06-2022