FLARDINGA - In 1163 treft een grote overstroming grote delen van Delfland, waarbij het zelfs de vraag is of men het op Hoogstat droog heeft weten te houden, ondanks de hogere ligging van het terrein.
In reactie op de overstroming wordt Delfland beveiligd met een ongeveer twee meter hoge kade, de later zogenoemde Oude Dijk. Goede kans dat de overstroming graaf Floris III, niet zolang daarvoor getrouwd met een Engelse koningsdochter, op het idee heeft gebracht de residentie te verplaatsen naar het hoger gelegen Leiden. Feit is dat daar niet veel later wordt aangevangen met de bouw van een in steen opgetrokken grafelijk hof, waarvan de oplevering zich laat dateren rond 1186. Wanneer ook in 1186 twee kinderen van graaf Floris III trouwen en uitvliegen, verruilt het gravenhuis, na 180 jaar Vlaardingen voor een nieuwe residentie in Leiden. Gerard, halfbroer van Floris III blijft daarbij in Vlaardingen als burggraaf achter voor het bestuur van de streek Vlaardingen en als ambachtsheer van Kethel. Als hij in 1189 overlijdt treedt het huis Wassenaar in zijn sporen.
In 1248 woedt een zware storm. Wellicht dat die ook schade heeft aangericht aan de gebouwen van Hoogstat. De storm is aanleiding voor de aanleg van de Maasdijk (1253-1255), een heuse waterkering van zes meter hoog.
Door de verplaatsing van de residentie naar Leiden zal Hoogstat gedeeltelijk leeg zijn gekomen. Allicht was toen al het idee om het oude spul maar beter te slopen, maar dat stuit op de aanwezigheid van enkele vitale functies, als gronduitgifte en de administratie daaromheen. Gedacht kan worden aan de ontginning van de weidegronden achter Hoogstat en die ter weerszijden van de Vlaarding. Sloop van Hoogstat zou bovendien de burggraaf dakloos hebben gemaakt en een alternatief worden gezocht voor het regthuys. Bovendien zullen bij het vertrek naar Leiden in 1186 meerdere ambachtslieden zijn achtergebleven en mogelijk dat hun nazaten gebruik zijn blijven maken van hun onderkomens en werkplaatsen. En zo moet ook voor hen een oplossing worden gezocht.
En zo wordt rond 1260 begonnen met de bouw van de nog altijd bestaande, in steen opgetrokken hofstede Hoogstad. De naam Hoogstad roept onmiskenbaar associaties op met het oude Hoogstat. In het nieuwe Hoogstad zal de grondadministratie zijn ondergebracht alsmede het regthuys.
Burggraaf Dirk II van Wassenaar, die in 1258 voor het eerst in het ambt wordt genoemd, krijgt een nieuw onderkomen naast het terrein van de jaarmarkt, op de hoek van de tegenwoordige Markgraaflaan en de Vondelstraat. Vanuit huis heeft hij dan toezicht kunnen uitoefenen de openbare orde daar en er de marktgelden hebben kunnen laten innen. Tenslotte de achtergebleven ambachtslieden. Zij zullen zich hebben gevestigd op de kort daarvoor aangelegde Maasdijk.
Blijkens het ontbreken van archeologische vondsten van na 1260, is de oude sterkte Hoogstat aansluitend gesloopt. Niet lang daarna zal het terrein zijn omgedoopt tot de Hoge Werf, waarmee ook op andere plaatsen een opgehoogd terrein werd aangeduid. In de loop van de tijd zal het terrein zijn vergraven, waarbij de aarde is aangewend voor ophogingen elders. Dat zal zijn gebeurd vóór 1576, aangezien in eigendomsoverdrachten niet wordt gesproken van hoger liggende grond. Ook is bij archeologisch onderzoek ter plaatse (Terra Nigra, 1992) veel minder vondstmateriaal aangetroffen dan wat men voor een zo lange periode van grafelijke bewoning had mogen verwachten.
Tekst
Arie de Klerk