Historische streekfeiten door Arie de Klerk

Gerard van der Wateringhe en het grafelijk bestuur

Gerard van der Wateringhe en het grafelijk bestuur

FLARDINGA - Gerard van de Wateringhe was een zoon van Ogier van den Hoek. Wanneer die in 1259/60 overlijdt volgt Gerard hem op als ambachtsheer van Wateringen en van Honderdland, dat hij in samenhang met de aanleg van de Maasdijk zelf had ingepolderd.

Graafwerk was zijn lust en zijn leven; we kwamen hem al tegen bij de aanleg van de Vlaardingervaart. Gerard komt uit de bronnen naar voren als een goed organisator en een vlotte prater. Hij was lid van de grafelijke raad en nam als zodanig deel aan de grafelijke besluitvorming. Uit een eerdere relatie had Gerard twee zoons: Willem en Clais, die in 1301 in grafelijke dienst wordt vermoord. Omstreeks 1260 trouwt Gerard met Machteld van Teilingen (†1273), dochter van topambtenaar Dirk van Teilingen (†1282). Met haar krijgt hij twee kinderen: Jan I en Bartine. Jan I volgt hem op in zijn bezittingen en Bartine trouwt met Philips III van Wassenaar, de laatste burggraaf van Vlaardingen.

Gerard kan het goed vinden met zijn schoonvader Dirk van Teilingen, telg uit een vooraanstaand geslacht en net als hijzelf lid van de grafelijke raad. Dirk op zijn beurt kan het goed kan vinden met Aleida van Holland, de voogd van dejonge graaf Floris V en haar moeder Machteld van Brabant, wat hij handig weet te combineren met zijn eigenbelang. Maar dat is een ander verhaal.

Naar blijkt ging er ook wel eens wat mis met de eigendom van grond. Zo zegt Gerard van der Wateringhe het leen te bezitten van ʼt Nieuwelant, het gebied van de huidige wijk Vlaardingen-Ambacht. Voordien stond dat bekend als Gherets polre van Raphorst, vernoemd naar Gerrit van Raaphorst (†1272) en dáárvoor als de buitendijkse tienden. Die laatste benaming stamde van na de aanleg van de Oude Dijk (ca. 1175) en de naam Gherets polre van Raphorst dateert van na de aanleg van de Maasdijk (1253-1255), plaatselijk bekend als Schiedamsedijk, waarbij naar blijkt Gerard ook betrokken was.

Na de plotselinge dood van Gerrit van Raaphorst in 1272 eigent Gerard zich de polder ondershands toe en handelt daarmee in strijd met het leenrecht. Een leen diende namelijk eerst te worden teruggegeven, waarna het aan de graaf was om het leen wel of niet opnieuw uit te geven, aan wie en tegen welke voorwaarden. Bij die uitgifte moest de nieuwe leenman de graaf dan heergewade of verheffingsgeld betalen, dan wel ging het met de ledige hand, dus zonder die betaling, maar daarover is bij het grafelijk hof niets bekend.

Naar blijkt staat het geval Gherets polre van Raphorst niet op zich. Om duidelijkheid te krijgen stelt de graaf een onderzoekscommissie in naar eigendom van heerlijke rechten, landerijen en tienden. De commissie, die naar haar verslag ‘commissie Besceyd’ wordt genoemd, opereert onafhankelijk en zal in de voorkomende zaken zelf vonnis wijzen. De commissie, die vrijwel zeker in 1282 is ingesteld, ziet zich gesteld voor een veel omvattende taak. Uiteindelijk komt ze na 1295 in 47 gevallen tot een uitspraak.

De eerste zaak waar de onderzoekscommissie zich op richt is Gherets polre van Raphorst. Pas na de dood van Gerard van der Wateringhe in 1287 komt de commissie tot een uitspraak, waarbij wordt mee gewogen dat Gerard de Schiedamsedijk mee heeft aangelegd. Daarom wordt Gerards zoon Jan I van der Wateringhe een derde van de bedijkingskosten vergoed, maar de eigendom van de polder gaat naar de graaf.

Een ander geval waar Gerard van der Wateringhe bij wordt genoemd is het Wijnendalermeer, gelegen in de duinstrook ter hoogte van Loosduinen. Gerard zegt dat te bezitten, maar dat de graaf hem daarin niet wil bekennen. Een vreemde zaak, ook al omdat Gerard de koopsom van 200 pond nooit heeft betaald. Vreemd ook omdat dit meer, via de Beek, de watertoevoer naar het Binnenhof verzorgt. Hoe dat ook zij; Gerard neemt de betaling op in zijn testament (1282). Ook de graaf tekent het testament, maar hij zal het als bewijs hebben gezien dat niet Gerard maar hij de eigendom heeft van het Wijnendalermeer.

Het derde geval waarbij Gerard van der Wateringhe is betrokken betreft de aanleg van de Lange en de Korte Haven in Schiedam, in 1284. Voor het gebruik van dit buitendijks gebied (Frankeland) vergoedt Gerard de lokale bestuurder Floris van Henegouwen, kennelijk zonder zich te realiseren dat dit, als aangewassen grond eigendom is van de graaf van Holland. Overigens is te tezelfdertijd sprake van:

Jan Jonas sone iiii morghen teghens die Niwe haven’. Deze nieuwe haven is wel bij Vlaardingen gedacht, maar daar laat het genoemd oppervlakte van ruim 3½ hectare zich niet inpassen. Allicht betrof het daarmee die bij Schiedam.

Naar het oordeel van de commissie is Gerard ook in Schiedam zijn boekje te buiten gegaan. Rond 1290 wordt Jan I van der Wateringhe op de handelwijze van vader Gerard aangesproken. Zijn verweer dat die dat met Floris van Henegouwen had geregeld, vindt geen genade. Ook al gezien Jans benarde financiële situatie doet hij afstand van het havengebied.

Ondanks alle perikelen kon de graaf goed met Gerard overweg. Zo treedt Gerard met enige regelmaat op als arbiter in kwesties tussen leenmannen en gaat hij in 1285 op grafelijke missie naar Engeland. Dat neemt niet weg dat hij graag scherp aan de wind zeilde en dat tegelijk de grafelijkheid, mede door toedoen van Dirk van Teilingen, de grondadministratie deels op z’n beloop heeft gelaten. Het laat de realiteit zien van besturen, ook in de middeleeuwen.

Onderzoek | Tekst | Fotografie
Arie de Klerk

Onderschriften
1. Schiedam, met naar links de Schie richting de oorspronkelijke Dam met verlaat (1255), naar rechts de overtoom (1284) en ter rechterzijde het zakkendagershuisje
2. Gerard van der Wateringhe en zijn nakomelingen

260615 Willem van Teilingen

15-06-2026