
Jaap van IJperen, zeeman, afschrijversmaatje en dichter was een bijzonder mens, de vader van mijn moeder en daardoor mijn grootvader waar ik als kind al dol op was.
De Vlaardingse arbeidsdichter Jaap van IJperen (1901-1972) schreef in 1950 de Rijmprent “Aan onze stad Vlaardingen” gedrukt en uitgegeven in 1950 door de N.V. Dorsman & Odé te Vlaardingen ter gelegenheid van de onthulling van het Vissersmonument, het driehonderd jarig bestaan van het stadhuis, de onthulling van het Oorlogsmonument en de inwijding van het Oranje carillon, gesticht ter herinnering aan het 50-jarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina. De prijs was toentertijd 25 cent.
Aan onze stad Vlaardingen
Stad aan de Maas, twee duizend jaren
Stroomt de rivier aan jou voorbij.
Heel je bewogen wedervaren,
Is wisselend evenals 't getij.
Ook jij hebt in je groots verleden
Tijden gekend van eb en vloed;
Achter je rijk en bloeiend heden
Gaan rampen schuil en tegenspoed.
Vroeg heeft je burgerij begrepen,
Rivieren, zeeën zijn een bron
Van welvaart; in hun kleine schepen
Zeilden zij naar de horizon.
Daar, ver van de vertrouwde stranden,
Wierpen zij het net ter visvangst uit,
Of voeren heen naar verre vreemde landen
En keerden weer met rijke buit.
Helaas, heel veel zijn gebleven;
Diep heeft het volk om hen gerouwd.
Zij hebben, offerend hun leven
Aan onze toekomst meegebouwd.
Wel zijn hun namen lang vergeten,
Maar aan de Haven staat, in brons,
Hun beeltenis, opdat wij weten,
Dat werkend, vielen zij voor ons.
Kom richten wij nu blik en schreden
Naar het historisch plekje grond,
Waar Vlaardingen in het grijs verleden
Zijn bakermat en oorsprong vond.
Daar staat een fraai stadhuis. Drie eeuwen
Bestaan wordt luisterrijk herdacht.
Op het bordes een tweetal leeuwen
Als een symbool van moed en kracht.
En binnen, in de koele zalen,
Wordt, in een zacht, getemperd licht,
-Zoals men vindt in kathedralen-
In 't volksbelang veel werk verricht.
Daar gaat zich het verstand beraden;
Daar is het kloppend hart der stad.
Gedachten groeien, worden daden,
Daar baant en effent men het pad
Waar langs een stroom van bruisend leven,
-Gelijk de hartslag stuwt het bloed-
Door de aderen van de stad gedreven,
Arbeid, cultuur en geestkracht voedt.
Steven dan zo, ons oude Vlâring,
Waar werklust, durf en wil zich paart
Aan vele eeuwen van ervaring,
De toekomst is met ruime vaart.
Nog rouwt ons volk om hen die zijn gevallen.
Het bouwde, hen ter eer, een monument.
Ik weet hun namen niet en de getallen
Van hen die vielen zijn mij niet bekend.
Ik weet alleen, zij hebben zich gegeven
Toen 't Vaderland hen riep in bitt're nood.
Zij waren onbekenden bij hun leven
En naamloos stierven zij de helden dood.
Zij traden aan,toen velen onzer faalden,
Omdat de Vrijheid was hun hoogste goed.
Zij hielden moedig stand tot zij betaalden
De prijs der Vrijheid met hun kostbaar bloed.
Vergeet hen nooit, zij hebben zich gegeven
Toen het Vaderland hen riep in bitt're nood.
Opdat WIJ eens in Vrijheid zouden leven,
Gingen ZIJ zonder aarz'len in den dood.
Nooit was Oranje en Volk zo hecht verbonden
Als in de jaren van verbeten strijd.
Nu langzaam helen weer de diepe wonden
Is nog ons hart vervuld van dankbaarheid.
Van dankbaarheid van Haar die in de stonden
Onzer beproeving voorging in de strijd,
En in wier voorbeeld duizenden hervonden
Vertrouwen en geloof in beter tijd.
Nu zal die dank vanuit het carrillon,
In lichte klanken door de ruimte zweven,
Opdat ook zij die na ons zullen leven,
Beseffen mogen wat wij eens verloren;
En hoe ons Volk zich voelde als herboren,
Toen 't zegevierend weer de Vrijheid won.
Jaap van IJperen, Vlaardingen 1950

Auteur: Dirk Tempelaar (Tekst + Verzorging Fotografie), Jaap van IJperen (Gedicht)
Gepubliceerd: 10-01-2012
Aantal keer bekeken: 339
Terug
Hommage aan mijn grootvader en dichter Jaap van IJperen 1901-1972