|
|
Roelant Pietersz de Kater, ’t Is Vissers-Werk
De meest bekende dichter uit de Vlaardingse geschiedenis is de goud- en zilversmid Arnold Hoogvliet (1687-1763). Hij werd vermaard om zijn bijbelse gedichten waarvan zijn epos ‘Abraham de Aartsvader’ in 1792 zelfs een elfde druk beleefde.
Zijn stadgenoot, de zeeman en visser Roelant Pietersz de Kater, verwierf minder bekendheid in de stadsgeschiedenis met zijn dichtwerken. Van zijn hand verscheen in 1661 de tweedelige dichtbundel ‘Vlaardings Vissers Lied-boek, voorzien met veel schoone Vissers, Bruylofts en andere stigtelijke Gezangen’. De bundel werd in Amsterdam uitgegeven. Bijna honderd jaar later, in 1760, volgde een tweede druk van dit tweedelige werk. De uitgever was Joannes Kannewet, boekverkoper in de Nes te Amsterdam.
Roelant Pietersz de Kater werd omstreeks 1636 in Vlaardingen geboren als zoon van Pieter Arentsz de Kater en Trijntje Doens. In mei 1661 trouwde Roelant met de drieëntwintigjarige Trijntje Willemsdr Versendael, eveneens afkomstig uit Vlaardingen. Uit het huwelijk werden zes kinderen geboren. Toen Trijntje in maart 1674 overleed waren er van de kinderen nog vijf in leven. De oudste was toen 12 en de jongste 1 jaar.
Niet lang daarna trouwde Roelant met Maertje of Martge Jans, de weduwe van Pieter Bastiaensz. Uit het tweede huwelijk van Roelant werd één dochter geboren. Maertje Jans overleed in februari 1684.
Een jaar later, in april 1685, trouwde Roelant voor de derde keer. Ditmaal trouwde hij in Rotterdam met de Schiedamse Jannetje Guiljaems. Roelant ging met haar in Schiedam wonen. Jannetje Guiljaems overleed daar in 1689. Een vierde huwelijk ging de weduwnaar niet meer aan. De noodzaak daartoe was er ook niet meer. Zijn kinderen waren min of meer volwassen en hadden geen moederlijke zorg meer nodig.
Roelant overleed op 21 augustus 1714 te Schiedam. Hij woonde bij de Raam.

Aanvankelijk zag het er naar uit dat het Roelant maatschappelijk niet slecht ging. In 1668 kocht hij voor 541 gulden een huis en erf in het Zwarteveld (Hoogstraat bij de Sluizen) uit de nalatenschap van zijn moeder. Een ander huis en erf in het Zwarteveld, vermoedelijk het huis waarin hij voordien woonde, verkocht hij in 1670 voor 550 gulden. In 1671 werd Roelant lid van het Schippersgilde.
De financiële zorgen kwamen na zijn tweede huwelijk met Maertje Jans. Enkele malen verscheen zij en soms ook samen met Roelant voor het gerecht vanwege schulden. Hierbij werd nadrukkelijk vermeld dat zij de weduwe was van Pieter Bastiaensz zodat het mogelijk nog ging om verplichtingen die haar eerste man was aangegaan.
Na het overlijden van Maertje Jans verkocht Roelant zijn huis aan het Zwarteveld voor 160 gulden en het huis, dat Maertje aan de Nieuwlandstraat had gehad, voor 450 gulden. Ondanks deze opbrengsten kon hij het tij niet meer keren. In januari 1685 verscheen hij voor het gerecht. Er waren 19 schuldeisers. In juni volgde de openbare verkoping van zijn goederen. Na aftrek van alle schulden (hij had onder andere ook het erfdeel van de kinderen van Maertje uit haar eerste huwelijk moeten uitkeren) bleef er nog geen 65 gulden over. In de opgesomde schulden valt het op dat er gedurende een aantal jaren geen belasting was betaald. Zo goed als berooid woonde Roelant in Schiedam. Of Jannetje Guiljaems enig geld bezat vermeldt de geschiedenis niet.
De dichtwerken van Roelant verschenen in 1661. Hij was toen 25 jaar oud. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij nadien is blijven dichten maar daarvan is niets bewaard gebleven.
In de inleiding legt Roelant op rijm een verklaring af voor wie en waarom hij zijn gedichten laat verschijnen. Zij zijn bestemd voor de Vlaardingse vissers en burgers en voor vissers in andere steden. Over het waarom zegt hij:
‘Door geweldig aanraden van eenig Vissers jong,
Dat ik in Druk zoud’ geven,
Als ik zomtyds eens zong
Van ’t geen ik had geschreven’.
Hij schrijft voorts dat ‘Mijn werk is van ’t begin met fouten veel besmettet’. Hij hoopt hierom niet te worden bespot, want hij is in dichten niet onderwezen zoals andere dichters die veel ‘vreemde boeken’ lezen. ‘Als gy vind fout beschreven, dat het is Vissers-Werk, in ’t rijmen onbedreven’. Hij is een visser die gedichten maakt en ze zingt op de melodieën van bekende liedjes. Na de titel van het gedicht verwijst hij naar deze liedjes. Al zijn gedichten zijn ondertekend met ‘R. de K. ‘t Is Vissers Wijs’.
Het eerste deel van het Vlaardings Vissers Lied-Boek bevat 29 gedichten en het tweede deel 17. De meeste gedichten hebben een christelijke strekking met verwijzingen naar passages in de bijbel.
Mogelijk schreef Roelant op verzoek liedjes of gedichten voor bruiloften, misschien voor zijn medescheepsgezellen. De ‘Bruylofts-Gezangen’ zijn ruimschoots vertegenwoordigd. Ze eindigen steevast met de wens dat er binnen het jaar een zoon of dochter zal worden geboren. Ook het leed ging hij niet uit de weg: ‘Beklag-Lied, van een Visser die zijn Vrijster gestorven was, terwijl hij op Zee was’, en ‘Beklag-Lied, van een Jonge Dogter, die haar vryer gebleven was’. Soms is hij vermanend: ‘Een Liedeken van de Kinderpligt aan haare Ouders’.
Verder komen er gedichten voor over de Vrede met Engeland, de brand in De Rijp in 1654 en een lofgedicht op de stad Vlaardingen.
Een kijkje op het Vlaardingse leven geeft zijn lied (met refreinen): ‘Nieuw Lied, van zommige Jonge Dogters, en hoe zij het aan stellen om een Jonkman te bekooren’. Hierin schrijft hij over jonge dochters die graag willen trouwen en soms halve nachten langs de straat lopen, naar een dansschool gaan en een wijntje drinken. Hij heft een waarschuwend vingertje:
‘Met de dogter zo ik meen
En spreekt niemand vanTrouwen
Zo maakten zy ten laast geween
Als zy van ’t Kind verstouwen’.
Wanneer de ouders tegen het huwelijk van een dochter zijn omdat de aanstaande schoonzoon hen niet aanstaat, zoekt men de oplossing in een gedwongen huwelijk:
‘Zy slapen by als Wyf en Man
Dus vald als dan haar praten
Alsser nu komt een Kindjen van
Dan moeten zy ’t toe-laten’.
Hij eindigt met een advies aan de trouwlustige mannen:
‘Maar wild g’ een Dogter kuys
Op eer en deugde minne
Zoekt ze by d’ Ouders t’huis
Gy zult der daar wel vinden’.
Omdat Kerst en Nieuwjaar aanstaande zijn, volgt hieronder nog een van de Nieuwjaarsgedichten van Roelant de Kater, onze Vlaardingse troubadour.
Nieuw-Jaars-Gezang
Stem: Om een die ik etc.
’t Is nu weer Jaar-getijd,
Dat op der Aarden,
Kwam een Engel met vlijt
Ende verklaarden,
De Herders datter was gebooren
Tot Bethlehem in een stal,
Ons Zaligmaaker al,
Looft hem met bly geschal:
Gy uytverkooren.
…Zo haast de Engel weg was
Zijn daar verscheene,
Veel duyzend Eng’len ras
Zongen met eene:
Eere zy Godt zeer hoog van waarden
Een welbehagen zoet,
By alle menschen goed,
Zongen zy metter spoed,
Vreede op Aarden.
Als de Herders dit verstaan
Hadden, met rede,
Zijn zy terstond gegaan
Al na de Stede,
Die haar den Engel had gewezen
Een Sterre die stond daar,
Regt boven ’t Huys voorwaar,
Daar lag dit Kind eerbaar
In d’Stal misprezen.
…De drie Koningen wijs
Zagen zijn Sterre;
Dus gingen zy propys,
Al was het verre,
Om dees nieuwen Koning te zoeken
Binnen Jerusalem,
Daar zeyden men tot hem,
Dat ’t was tot Bethlehem,
Na d’Propheets Boeken.
Doen vonden zy ’t Kind daar,
In d’Stal, beneden,
Zy hebben ’t ook voorwaar,
Haast aangebeden,
En zy hebben ’t Geschenk gegeven:
Wierook, Mirthe en Goud,
Op dat men de Wet houd,
Als ’t Kind agt Dagen was oud,
Besnijd men ’t even.
Men heet het Kind Jesus
Na d’Schrifts oorbooren;
Want den Engel aldus,
Zeyd’ lang te vooren.
Want Jesus is Zaligmaaker even,
Want hy ons zalig maakt,
En van Zonden ontschaakt
En schenkt ons ongelaakt,
Het eeuwig leven.
…Wat heeft dezen Held goed,
Al moeten lijden,
Want hy dus jong zijn Bloed,
Stort in ’t Besnijden,
Daar na wild’ hem Herodes doode,
Godt waarschouwt Joseph vroet,
Dat hy met dat Kind zoet,
En zijne Moeder goet,
Is weg gevlode.
…Wat leed hy alverdriet,
Stadig op Aarden,
Al van de Joden ziet,
Dien Held van waarden,
Hy werd gehoond, en lijd ter smaden,
Sloegen hem metter vuyst,
Ten laatsten nog Gekruyst,
Om onze Zonden juyst,
En vuyl Misdaden.
Wild u met dit Nieuwe Jaar
Al t’zaam verblijden,
Treed in ’t Nieuwe voorwaar,
Steld ’t Oud ter zijden,
En zingt al t’zaam met d’Engelen schaar,
Eere zy Godt zeer goed
Die ons schenkt zijn Zoon zoet,
Die ons Zond’ op hem loed,
In ’t Nieuwe-Jaar.
’t Is nu weer Jaar-getijd,
Dat Jesus werd gebooren,
Daarom zingt t’zaam verblijd,
En laat u stemme hooren.
’t Is nu weer Jaar-getijd,
Dat hij werd Besneden,
Dat hy ons van Zond’ vrijd,
En schenkt ons ’s levens Vreeden.
R. de K. ’t Is Vissers-werk
De volledige tekst van het Vlaardings Vissers Lied-Boek is te vinden op Google Books.
Bij de illustratie:
Plattegrond van Vlaardingen (1632)
Auteur: Ingena Vellekoop (Tekst + verzorging prent)
Gepubliceerd: 19-12-2011
Aantal keer bekeken: 323
Terug
Roelant Pietersz de Kater, ’t Is Vissers-Werk
|
|