Zoeken

Ton Lebbink: Schrijfbegin


Ton Lebbink keek almaar ongerust om zich heen. ‘Is de tap leeg? Mijn glas is enkel bodem. En de jenever bovendien: ECHO. Je wordt toch niet moe van die anderhalve klant die daarbij per keer anderhalf glas bestelt en dat in hooguit anderhalf kwartier?’

‘Ik moet uitrusten volgens mijn cao. Als ik te moe ben en het wordt straks druk ben ik tot niets meer in staat. Daar zit, naar mijn idee, niemand op te wachten.’
   ‘Mij zal het aan m’n je weet wel roesten. Tegen de tijd dat de volgende klant dit etablissement bezoekt zal ik lang en breed zijn vertrokken. Er zijn plekken waar je eerder dronken bent, je geen dorst hoeft te lijden, omdat een of andere halfbakken, zich ober noemende, werkschuwe eikel, niet meer doet en kennelijk kan dan met zijn cao’tje zwaaien.’

De dichter rekende af, liep zonder groeten naar buiten, sloeg linksaf en ging na honderddertig meter rechts een brug over en begon aan de andere kant de gracht af te lopen op zoek naar een kroeg waar ze werklustig personeel aan de toog hadden. Met een prettig gesprek bovendien. Daarvoor ging je op café, niet voor een lapzwans.
   Als dat de rode horecadraad was kon je beter naar een actiefilm over de Tweede Kamer of om het even welk lokaal college annex raad gaan kijken. Dat was … ook niks.

Toen hij een vijftal minuten kuierde richting west van het Centrum werd er plots en met een ring luid en duidelijk op een ruit getikt dat Ton Lebbink dacht dat die eraan geloven moest. Hij keek op, dacht dat er misschien een hoertje haar gewelfde waar aan de man dacht te brengen. Niets voor een bezoekje, vond de aanstaande portier van Paradiso een lekkerbekje altijd de moeite van het begluren waard.

Het was een manspersoon. Zoveel kon hij nog wel zien in de door de zon venijnig spiegelende ruit. Hij zwaaide alsof hij aan het ramenlappen was. Maar zonder water, want er zakten geen druppels. Veel manlijke hoeren had je toen niet.

Ton Lebbink, toch al dorstig, opende de deur. De man was van zijn tafeltje opgestaan. De latere krokettenbakker bij de FEBO stapte naar binnen en keek naar het gezellig interieur. De man liep op hem af: ‘Ton Lebbink, de drummer van Mecano. Wat een onvergetelijke eer jou hier te mogen ontmoeten. Drink wat van mij. Ton Lebbink zei niets, overrompeld door alle enthousiasme zocht hij altijd ergens iets achter.
   Toen het anderhalfje op het ronde tafeltje (met Perzisch tapijtje) aan het raam stond zette hij zich met een zucht neer tegenover de man. Een slordig gekleed type marktkoopman, dat tweedehands spulletjes voor te veel geld aan de man trachtte te brengen als hij niet in de kroeg zat om te vertellen aan iedereen die het maar of niet horen wilde dat hij zo’n goede marktkoopman was die continu tweedehands spulletjes voor te veel geld aan de man wist te brengen.
   Zo’n man. Daarop leek die.

‘U bent toch zeker die drummer van Mecano wel? Of kan men u ook van andere dingen kennen?’
   ‘Ja, thuis en in mijn stamcafé over het algemeen wel.’
   ‘Luister eens, vriend. Neem nog wat te drinken en luister goed wat ik je te vertellen heb.’ Een niet onaardige dienstertje snelde met dienblad, daarop een anderhalfje, een glas whisky en een smoezelig bakje pinda’s naar het enige tafeltje waaraan klanten.
   ‘Wat wilt u aan mij kwijt?’ vroeg Ton Lebbink die niet van wiebelige Voetbalknieën wilde weten en geen angst kende voor het onbekende.
   ‘Nou,’ zei de marktkoopman, ‘wat mij betreft ben jij meer dichter dan drummer en ik zal je zeggen waarom. Met dat strakke ritme van jou, sla je alle andere poëten zo van het podium. En als je daaronder - lekker staccato - je woorden richting toehoorders zweept, heeft de band een makkie. Je hoeft alleen maar woorden te zing-zeggen. Beetje Leonard Cohen, maar dan van de gestampte pot en wat rapper. Boerenkooldichter Ton Lebbink draagt voor: The machine. Zie je het al een beetje voor je?’
   Ton Lebbink knikte traag. In zijn brein ontwikkelde zich het idee dat deze maan zo gek niet was en geen marktkoopman bovendien. Eer een platenmakerglibber, of zoiets. Een kerel waarmee je succes kon hebben.
   ‘En geen wijven erbij. Zeker niet als ze gitaar spelen of een ander snaarinstrument. Voor je het weet zit je in haar erotisch snarenspel verstrikt en dan heb je gelazer: thuis en in de band. Want je eigen moppie ruikt de Chanel nr. 5 al op kilometers afstand en die gasten denken: “Stront aan de knikker. Hij wel, wij niet.’

Hij deed zijn lange regenjas open. Uit de binnenzak toverde hij een zwart aantekenboek en dito kleur BIC. ‘Ga nou maar, dichtertje in spe. Je zult zien dat als je gaat schrijven, je ster rijst als cake in de oven. Dit is de eerste dag van je succes als poëtisch scribent. Geloof me gerust. Kom, we nemen nog een afzakkertje en ik betaal. Gun me die eer. Ik heb alle moois achter me. Nu is het jouw beurt de wereld te verbazen.’

Ze dronken zwijgend.

Tegen de tijd dat Ton Lebbink opstond en gedag wilde zeggen, zag hij dat de man sliep. Of was hij er stiekem tussenuit gepiept? Rechtop in zijn stoel aan het tafeltje (met Perzisch tapijtje) aan het raam. Het meisje zei: ‘Ga maar. Ik zal hem straks zeggen dat je hem hebt bedankt. Hoe het jou verder gaat zal hem geen raadsel zijn. Jij wordt beroemd en zal optreden. Zeker weten dat hij best eens in het publiek zal zitten. Hij is al wat ouder en komt uit de Achterhoek. Het is een handelsreiziger. Later zijn zoon vast ook. Dag, Ton Lebbink. Het ga je beregoed.’

D31

De een zegt boom.
De ander zegt plataan.

De een zegt doek.
Een ander Mondriaan.

De een zegt aap.
Een ander baviaan.

De een zegt mens.
Een ander Marokkaan.

 


Auteur: Peter Joore (Tekst), Beaty Czetö (Fotografie), Ton Lebbink (Gedicht)
Gepubliceerd: 08-12-2017
Aantal keer bekeken: 100


Reacties
Uw commentaar

Naam:
E-mail: (niet zichtbaar)
Titel:
Commentaar:
CAPTCHA Afbeelding
Vul de bovenstaande code hieronder in

Geef commentaar

Terug
Ton Lebbink: Schrijfbegin

© De Vlaardinger  |  Inloggen