Zoeken

Ton Lebbink & Café de Bezige Bij


Er zijn van die kroegen die Ton Lebbink zich zijn hele leven zal herinneren: Café Helmers vanwege de oogstrelende verschijning van dienster Caroline, Brasserie de Kouwe Kak omdat het toilet in de tuin stond met een gezaagd hart in de deur, het ranzige knijpje dat de vergeten Maagd heette, een bar met de twijfelachtige eer heette een relatieverslinder te zijn.

Maar niets zat dieper in zijn grijze massa weggestopt dan het jolige muziekcafé in Amsterdam – permanent podium, bordeauxrode gordijnen, divers meubilair dat zo van een veiling leek weggerukt, vol met overjarige hippies die meedeinden op de platen die door de met een lange dunne paardenstaart getooide eigenaar Jaap Visgraat constant werden gedraaid.

Voor het uitgestalde instrumentarium zaten een paar dames die voor de derde keer tanden hadden en gekleed gingen in versleten jeans of kleding die de Zak van Max hadden weten te ontvluchten. Samen met de aparte verschijning van de eigenaar maakten ze het buitenissige interieur compleet.

Aan de lange bar een troep rijpe mannen met baard en alleszins lang haar dat hier kennelijk nog de mode was, hun gesprekken besproeiend met ferme slokken Jupiler of Hertog Jan. Tussen hen in, hangend in en op een comfortabele kruk met drie leuningen, de keel overdwars doorgesneden, een man in driedelig grijs.

Tientallen bierglazen en -flessen staan verspreid op de toog. Met enige verbazing telde Ton Lebbink het aantal. De heren blues knakkers lustten kennelijk wel een pilsje. Het viel hem op dat alleen het glas voor de als een zakenman geklede man nog vol was. Alsof er geen tijd was er ook maar een enkele slok van te nemen.

Het was – en de driedelige getuigde daar ongewild van – stervensdruk en de gasten overstemden de driekoppige band die Toccata van Emerson, Lake & Palmer speelde. Het lawaai was oorverdovend. Uit het toilet kwam een krijsende vrouw met woest getoupeerd haar, een dronken schipper roffelde met drumstokken een stuk van Karn Evil Nine, twee knokkende sportschooljongens brulden verwensingen en deelden ferme klappen uit. De dooie, die door iedereen met rust werd gelaten, zat er als enige kalmpjes bij.

De vrijwel onthoofde bleek niemand in de weg te zitten; de sjofele houding ten spijt, zijn gezicht verwrongen van wat pijn van de jaap moet zijn geweest, vormde hij een dissonant in dit bonte, ruwe gezelschap van kakelende vrouwen en brullende mannen. ‘Hij zal de verkeerde kroeg op het nog meer verkeerde moment zijn binnengestapt,’ mompelde de doorgaans vredelievende Amsterdamse dichter.

Een ruwe gast van het type motorrijder met leren jack, met een met kippige gele etensresten getooide ruige houthakkersbaard, keek de ex-drummer met rooddoorlopen ogen woest aan. Hij gromde: ‘Degene die hem heeft lek geprikt had daar algehele toestemming voor. Moest ‘ie maar niet met zijn gemanicuurde kantoorklauwen aan Jacqueline zitten. De vlezige viezerik. We wilden hem eerst verzuipen in de spoelbak. Met behulp van een paar man een eitje als in mijn baard.’ Hij lachte grimmig. ‘Maar er stonden een paar glazen gruwelijk in de weg.

In kroegen als Café de Bezige Bij, waar de vrije geest en de losgeslagen moraal het kwaad meest buiten de deur weten te houden, kan je als vreemdeling beter met je poten van andermans bezit afblijven. Het idee dat de vriendin van Tommy wordt besmeurd door zijn vingers en losvliegende spraakconsumptie is verre van geaccepteerd. Dan sturen we liefst Benny the Bouncer op zo iemand af, maar die was vrij vandaag.’

In een enkele grote slok en zonder ademhalen slurpt hij binnen drie tellen een buitenmaatje Jupiler zonder morsen leeg. Hij veegt met zijn mouw de vochtige bierlippen af en vervolgt: ‘Maar of dat trio daar een liedje over heeft weet ik niet. Don’t Cry van Guns N’ Roses is het zeker niet. En A Perfect Day van Lou Reed komt wat hem betreft ook niet in aanmerking, anders dan tenzij hij in de laatste fase zat van een slopende ziekte die hem enkel nog permanente pijn bezorgde.

Dat, en hoe hij is gestorven is duidelijk. Voor hem, die kantoorklerk daar, of patserige zakenpief, zit er zelfs een positief kantje aan de manier waarop hij de laatste vlam uit zijn pijp heeft geblazen: hij hoeft niet meer af te rekenen. Nooit meer.’ De ruwe bolster pakte een nieuw glas en dronk ook dit in een korte ademtocht leeg en draaide zich weer om naar zijn gesprekspartners.

Ton Lebbink – de grootsteedse poëet en niet snel van zijn stuk gebracht – pakte zijn zwarte aantekenboek en dito gekleurde BIC. Hij schreef:

Het leven is kort
Met voor je een volle bier
Alvorens je in de spoelbak stort
Staat het onaangeraakte glas nog hier
Die combinatie van water, graan, gist, hop en wort
Ontgaat je zonder adem vrijwel alle vertier het laatste kwartier.

Hij borg het setje op en brulde: ‘Een anderhalfje, Visgraat. En snel.’ De ex-schilderijenvervalser kende zijn pappenheimers in den lande en met die ELP-coverband was alles aan de hand, maar niets mee mis. Het was hem de stadse fietstocht alleszins waard. Als nu zijn redactionele vriend van De Vlaardinger maar snel kwam. Die suffe verhalen van dit publiek was hij snel zat.

DOUWE REUS


 


Auteur: Peter Joore (Tekst), Beaty Czetö (Fotografie), Ton Lebbink (Krabbel)
Gepubliceerd: 06-10-2017
Aantal keer bekeken: 219


Reacties
Uw commentaar

Naam:
E-mail: (niet zichtbaar)
Titel:
Commentaar:
CAPTCHA Afbeelding
Vul de bovenstaande code hieronder in

Geef commentaar

Terug
Ton Lebbink & Café de Bezige Bij

Laadtijd van deze pagina: 0,0781205

© De Vlaardinger  |  Inloggen