Ton Lebbink zat als een jonge God aan de toog van Café de Oudere Jongere, want zo mag je zijn torso best omschrijven. Waarmee in het oog springende sportieve details ernstig tekort worden gedaan. Voor wie werkt in de kroeg, al is het met zwarte BIC en dito aantekenboek, ziet hij er nog altijd patent uit. Dat ziet een kind en - belangrijker - menig deerne met beduidend minder lentes dan deze krokettenbakker van de FEBO op haar c.v. Je hoorde hem en de almaar veranderende kalle nooit klagen. Er is nog altijd verrassend weinig nodig om hem strikt aan het werk te zien. Hij combineert met plezier nu al enige decennia cafébezoek met het schrijven van het betere gedicht.

Het is algemeen bekend dat de verleidingen in het café talrijk zijn. Sommige aspirant-dichters leren mensen kennen en raken enkel aan de praat. Het niet maken van aantekeningen is funest voor productie van een vruchtbaar poëem en de ideale basis tot vergetelheid. Zeker als het niet zelden intieme gesprek gepaard gaat met alcoholisch drankgebruik. De ware dichter gaat in dezelfde tijd aan de slag en noteert kwinkslagen, aperte en nieuwe vloeken en beschouwt de sfeer in klinkende bewoordingen. Wie dit niet doet is de dag na de avond ervoor een lege emmer: een bucket zonder list.

“Tom Poes, verzin een bucket list!”

De ware dichter neemt op gepaste tijden een anderhalfje. Aan toog of leestafel wordt tussentijds hard gesappeld. Soms alleen. Een andere keer in groepsverband of in een appetijtelijke tête à tête met een appelig meiske uit grote stad of achterland. Meest wordt hier het fundament gelegd voor beschouwend en hartstochtelijk proza.

Een café is voor een goede dichter van onmisbaar belang. De man of vrouw spreekt dan ook liefst en met enig recht van het cafégedicht. Niet en na enige glazen van het-een-of-het-ander te verwarren met: “Het café gaat dicht!”

Het maken van een gedicht vereist veel vrije tijd en inzet: arbeidsethos. Een bizarre woordvolgorde komt nimmer tot stand zonder openstaande taps en klokkende flessen. Wie de lijst van café’s waar Ton Lebbink tot literaire daden kwam beziet, komt met behulp van Google Maps of het ouderwetse Shell Stratenboek in alle buurten en geledingen van de hoofdstad. Dankzij de lokale horeca zijn er veel gedichten. Is er een tweetal lp’s en voor de liefhebber een aantal bundeltjes. En nu dan Douwe Reus. De op Ton Lebbink gelijkende filosofische stripheld.

Maar niet alle verhalen zijn geïnspireerd door en op basis van alcohol ontstaan. Ook zijn er werken die broodje nuchter het firmament van onderen kunnen bewonderen. Eentje (gevonden in een prullenbak, maar wat zou het) willen we de trouwe lezer niet onthouden:

Ik drink
Al weken
Ik stink
En heb (een) teken
Van God.

Mocht de lezer, na nu rond de 350-verhalen, aan een drankje toe zijn en pen en papier binnen handbereik hebben, schroom dan niet zelf de poëzie van een bijdrage te voorzien. Misschien wordt die wel geplaatst. Ton Lebbink wil tenslotte ook wel eens op vakantie zonder kwellende dagtaak. Proost!

DOUWE REUS (8)


 


Auteur: Peter Joore (Tekst), Beaty Czetö (Fotografie), Ton Lebbink (Gedicht)
Gepubliceerd: 11-08-2017
Aantal keer bekeken: 209

Ton Lebbink: ‘Hoe ik zo slank blijf?’